S o f i s m e
Sofisme is een filosofische stroming uit de Griekse oudheid. Het
Griekse woord 'sophistai' betekent 'leraren van wijsheid'.
Een Sofist is (vooral in conservatieve en aristocratishe kringen)
iemand die recht praat wat krom is, een drogredenaar
dus. Zij dienden niet zozeer om waarheid en recht te doen zegevieren,
maar om in alle omstandigheden het eigen gelijk te halen.
De Sofisten verschenen net vóór Socrates op het toneel.
Ze trokken als rijzende leraren van stad tot stad en gaven, tegen
betaling, onderricht in de meest verschillende kunsten en vaardigheden,
voornamelijk echter in de welsprekendheid. Het waren dus geen wijsgeren
in de eigenlijke zin van het woord maar practici, en zoals alle practici
hechtten zij maar weinig waarde aan zuiver theoretische kennis.
Dat had tot gevolg dat de meeste sofisten al spoedig de opvatting
huldigden dat objectieve kennis onmogelijk is. Daarbij kwam dat steeds
meer mensen beter geschoold waren en vreemde volken, gebruiken en
godsdiensten leerden kennen; zo werden allerlei tot dan toe rotsvaste
vooroordelen aangetast. Want als er geen objectieve maatstaf is om
uit te maken wie in een bepaalde kwestie gelijk heeft, komt
het erop aan wie gelijk krijgt, anders gezegd: wie het best
zijn standpunt kan presenteren.
Deze eerste theoretische scepsis breidde zich weldra uit tot de moraal.
Men leerde dat, zoals bij theoretische kwesties, ook bij het menselijk
handelen uiteindelijk alleen het succes de doorslag gaf. Zo werd de
redeneerkunst in handen van de sofisten meer een middel tot overreding
dan tot overtuiging, en bestond er voor hen geen objectief, voor iedereen
geldend zedelijk recht, maar alleen het recht van de sterkste.
De sofisten onderwezen jonge mannen vooral in de kunst van het spreken
in het openbaar, nodig voor het publieke leven.
Omdat ze hun pupillen leerden van elke zaak het beste te maken, ongeacht
hun persoonlijke overtuiging, werden ze door meer integere intellectuelen
veracht.
Het woord 'sofist' kreeg daardoor de negatieve bijklank die
het nog steeds heeft.
De bekendste sofist was Protagoras.
De betekenis van de sofisten
Het belang van de sofisten voor de geschiedenis van de wijsbegeerte
ligt niet zozeer in de door hen verkondigde stellingen als wel in
het volgende.
Zij hebben voor het eerst in de Griekse filosofie hun aandacht volledig
gericht op de mens, en niet op de natuur. In de tweede plaats
hebben zij voor het eerst het denken zelf tot voorwerp van
het denken gemaakt en zijn voorwaarden, mogelijkheden en grenzen kritisch
onderzocht. En tenslotte hebben zij ook de ethische maatstaven
aan een scherp kritisch onderzoek onderworpen en daarmee de mogelijkheid
geschapen de ethiek wetenschappelijk te behandelen en consequent te
verwerken in een filosofisch stelsel.
Daarnaast hebben de sofisten door hun grondige beoefening van stilistiek
en welsprekendheid ook de taalwetenschap en de grammatica een stuk
verder gebracht. De sofistiek is een overgangsverschijnsel, maar van
zo'n belang, dat zonder haar de hierop volgende bloeitijd van de Attische
wijsbegeerte niet denkbaar zou zijn.
G n o s t i c i s m e
Terwijl het christendom zich moest verdedigen tegen een aanvankelijk
vijandige buitenwereld, werden zijn eenheid en voortbestaan de eerste
eeuwen van binnen uit bedreigd door een aantal geestelijke stromingen.
Zij kwamen deels voort uit het christelijk denken zelf, deels uit
de poging om christelijke met niet-christelijke elementen te verenigen.
De gevaarlijkste en meest verspreide stroming was de gnosis (Grieks
voor inzicht), een van de meest veelvormige en moeilijkst te begrijpen
verschijnselen in de cultuurgeschiedenis.
In de gnosis vermengen zich christelijke geloofswaarheden - die dan
nog voor allerlei uitleg vatbaar zijn, want er is nog geen uitgewerkte
definitieve leer - met elementen van zeer verschillende herkomst.
Godsdienstige opvattingen uit het oude Oosten, vooral uit Perzië,
Syrië en het jodendom; daarnaast wijsgerige gedachten ontleend
aan de universele denker en geschiedschrijver Posidonius (ongeveer
135-51 v.Chr.), aan Plato en het neoplatonisme, aan Pythagoras en
de neopythagoreïsche school en tenslotte aan de Stoa.
Volgende drie elementen uit de gnostische richtingen gelden voor
alle en kunnen een indruk geven van het eigen karakter van deze beweging.
Theodicee. - In het denken van de gnostici neemt de theodicee
een belangrijke plaats in. Het gaat om de vraag naar de rechtvaardiging
van God en naar oorsprong en zin van het kwaad in de wereld.
Gnosis als inzicht. - De gnostieke opvatting over het goddelijke
werkt door in hun opvatting over de plaats van de mens in de wereld
en zijn verlossing. Dat de mens in zonde valt, wordt niet meer gezien
als zijn eigen menselijke schuld; de ziel van de individuele mens
is niet meer dan het strijdperk waar zich de eeuwige strijd afspeelt
tussen het goede en het kwade beginsel. De individuele ziel, waar
het in het christendom om gaat, verliest hier iets van haar bijzondere
waarde. Het gaat er niet om dat de mens door een daad van geestelijke
wedergeboorte de 'oude Adam' aflegt en een nieuwe gelouterde mens
wordt, maar dat hij de wereldwijde strijd tussen goed en kwaad in
zichzelf ziet en herkent.
Het inzicht neem zo bij de gnostici steeds meer de plaats in van het
geloof; vandaar ook de naam die deze beweging heeft gekregen.
Gnosis als mystiek. - De menswording van God en de vereniging
met God in het sacrament is het grote mysterie van de christelijke
leer en daarmee de deur waardoor telkens opnieuw in de loop van de
geschiedenis mystieke gedachten binnenkwamen. Zoals het woord al aanduidt
(het Griekse 'myein' betekent de ogen sluiten), berust mystiek
op ontkenning van de zintuiglijke wereld en van de logica van het
verstand; ze is een met woorden nooit geheel te beschrijven, niet-bewuste,
extatische vereniging met het goddelijke. Ook de godskennis van de
gnostici moet niet worden opgevat als verstandelijke, maar als mystieke
kennis.
Zoals ook andere vormen van mystiek, gaan de gnostieke gedachten gekleed
in fantastische mythologische beelden en vergelijkingen.
M a n i c h e ï s m e
Nauw verwant met de gnosis is het manicheïsme; omdat het het
jodendom zonder meer afwijst en heidense, vooral Perzische en Indische
gedachten combineert met christelijke, wordt het zelfs wel tot de
paganiserende richting van de gnosis gerekend.
Het werd gesticht door de Pers Mani (in het Latijn: Manichaeus).
Mani werd in 215 in Perzië geboren uit een koninklijk geslacht,
verbleef een tijd in India, en werkte vóór en na dit
verblijf in zijn vaderland als stichter van een nieuwe godsdienst.
Hij werd in 273 gekruisigd.
Zijn leer, voor zover we die kunnen kennen uit de schaarse fragmenten
van zijn geschriften en uit latere berichten, gaat uit van een gedachte
ontleend aan de Perzische godsdienst. Vanaf het begin der eeuwigheid
bestaan er naast elkaar twee rijken, een rijk van het licht onder
heerschappij van de goddelijke vader van het licht, en een rijk van
de duisternis beheerst door de vader der duisternis - door Mani gelijkgesteld
met de joodse Jahweh - en zijn demonen. Jezus is bij hem de uit het
rijk van het licht neerdalende verlosser.
De ethiek van het manicheïsme eist strenge ascese en lijkt op
die van het boeddhisme. Ook het onderscheid tussen de uitverkoren
'wetenden' die de geboden in hun volle strengheid moeten onderhouden
(geen vlees eten, geen seksueel genot, geen lage handenarbeid), en
de gewone 'hoorders' of vereerders voor wie de geboden verzacht
zijn, herinnert aan de door Boeddha ingestelde scheiding tussen monniken
en leken.
Het manicheïsme verschilt fundamenteel van de leer van de christelijke
kerk door de verwerping van het Oude Testament, door de dualistische
leer van de twee rijken en door zijn totaal andere verlossingsleer,
die de mens voorschrijft om, volgens de leer van Jezus, zelf
zijn verlossing te bewerkstelligen. het verbreidde zich vooral in
het Oosten en in Noord-Afrika, was een zelfstandige geloofsgemeenschap
en vormde soms een bedreiging voor het christendom, waardoor het fel
werd bestreden.
Tot in de Middeleeuwen waren er manicheïsche gemeenten.
Bronnen: o.a. Geschiedenis van de filosofie - Hans
Joachim Störig
Het
verhaal van de filosofie - Bryan Magie