Sprookjes en hun inhoudelijke overeenkomsten

 

 

De teksten in volksverhalen en sprookjes vertonen
zoals iedereen wel weet, veel gelijkenissen.


Wij willen dit verduidelijken met een aantal voorbeelden.
Ook willen wij de verschillende aspecten in een sprookje nader belichten.
Dit willen wij toelichten aan de hand van een aantal sprookjes.

Veel sprookjes beginnen met de veelzeggende woorden: "Er was eens".
Deze woorden kondigen vaak al aan dat er een sprookje gaat komen. Deze woorden zijn dus een van de belangrijkste kenmerken van een sprookje. Jong en oud weet al wat er komen gaat als men deze woorden hoort. Deze woorden worden bijvoorbeeld gebruikt bij een van de bekendste sprookjes van de gebroeders Grimm.
Dit sprookje, "Roodkapje" begint met deze magische woorden.

Bijna alle volksverhalen en sprookjes bevatten een wijze les.
Deze wijze les wordt ook wel een moraal genoemd. Over deze wijze les moet je als lezer vaak nadenken, het is vaak niet mogelijk om in een keer de diepe achterliggende gedachte te ontrafelen.

 
 
In veel van de volksverhalen (sprookjes) wordt gesproken over een thema,
waar je als kind automatisch iets van zou moeten leren.

Neem bijvoorbeeld het sprookje "Roodkapje".
Roodkapje is een klein meisje dat aan haar zieke grootmoeder koekjes moet brengen in het bos.
Haar moeder had haar gezegd dat ze vooral op het pad moet blijven, omdat er in het bos wilde dieren zijn, die haar iets aan zouden kunnen doen.
Maar helaas luisterde Roodkapje niet goed naar haar moeder en ging toch van het pad af om bloemen te gaan plukken. Dit idee om bloemen te gaan plukken had ze van een wolf, de wolf gebruikte de tijd om haar grootmoeder te verslinden.
Toen zij bij haar grootmoeder aankwam, at de wolf haar ook op.
Toevallig kwam er een jager voorbij die haar en haar grootmoeder wist te redden.


De wijze les die je uit dit sprookje kunt trekken is dat je altijd je moeder moet gehoorzamen, als zij wat tegen je gezegd heeft.
De wijze les in sprookjes, heeft dus vaak een opvoedkundige waarde.
Hoe vaker kinderen dit sprookje te horen krijgen hoe eerder zij begrijpen dat zij hun ouders moeten gehoorzamen.
 
 

Een ander bekend kenmerk uit sprookjes is dat er veel herhaald wordt.
Bepaalde poëtische zinnen worden telkens opnieuw herhaald, dit kun je bijvoorbeeld vinden in het sprookje "Assepoester".
Assepoester die de hoofdpersoon uit het gelijknamige sprookje is herhaald telkens de zin,
"Boompje schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer".

Ook de vogels vervullen een belangrijke rol in het sprookje, en ook zij hebben een zin die veel herhaald wordt. We citeren deze zin in het Duits omdat hij dan wel poëtisch verantwoord is.
Deze zin luidt:
"rucke di guck, rucke di guck,
Blut ist im Schuck (Schuh):
Der Schuck ist zu klein,
die rechte Braut sitzt noch daheim."


Ook worden er in sprookjes ook vaak gebeurtenissen herhaald, in een andere vorm.
Je ziet dit bijvoorbeeld in het sprookje, "Hans en Grietje".
In het sprookje Hans en Grietje worden de kinderen drie keer in het bos achtergelaten.
Jonge kinderen pikken dingen vaak minder snel op.
De herhaling zorgt er in dit geval dus voor, dat het verhaal juist op de kinderen overkomt.

Een modern voorbeeld hiervan is het kinderprogramma "de Teletubbies".
In dit programma wordt het filmpje ook altijd twee keer vertoond.
De doelgroep voor dit programma zijn ook jonge kinderen.
 
 
Het familieleven staat in sprookjes vaak centraal.
Binnen de familie is het vaak zo dat er spanningen zijn ontstaan.
Er is bijna altijd een minderwaardige binnen de familie. Deze persoon vertolkt ook vaak de hoofdrol binnen het sprookje.
In sprookjes komt het vaak voor dat je te maken hebt met een gezin dat een probleem heeft, zoals bijvoorbeeld het overlijden van een van de ouders, of geldproblemen.
In een situatie waarin een van de ouders van het kind overleden is, komt er vaak een boze tiefmoeder voor de lieve moeder in de plaats.
Deze stiefmoeder brengt vaak problemen met zich mee, zoals een voorkeur voor haar biologische kinderen, of een sterke afkeer, jaloezie voor het stiefkind in kwestie.
De vader heeft in de meeste sprookjes vaak een passieve rol. Hij houdt wel van zijn kind, maar bemoeit zich niet met de opvoeding. De opvoeding laat hij over aan de stiefmoeder en hij durft het vaak niet op te nemen voor zijn eigen kinderen.
De vader houdt zich vaak erg op de achtergrond.
In de meeste sprookjes kun je duidelijk zien dat de vrouw meestal de slechterik is.
Je ziet dit in de sprookjes: Assepoester, Sneeuwwitje, Doornroosje en Hans en Grietje.
Vaak komt de vrouw lief over op de vader, maar is zij erg gemeen tegenover haar stiefkinderen.
Vaak gebeuren er dingen achter de rug van de vader om, en heeft de vader niets in de gaten.
De kinderen zeggen hier niets over, omdat ze een zachtaardig karakter hebben.
De stiefmoeders slijmen vaak tegenover hun echtgenoten.
 
 

Wat ons ook opviel aan de sprookjes is dat de hoofdpersonen vaak jonge kinderen zijn.
Dit is bewust zo gedaan, omdat de doelgroep zich dan verbonden voelt met de hoofdpersoon en zich goed kan identificeren met diegene en zijn of haar situatie.
Veelal draait het sprookje om een jong meisje.
Vaak is dit meisje een jong weerloos ding, dat niet voor zichzelf op durft te komen en weinig zelfvertrouwen heeft.
Veel meisjes van deze leeftijd zitten ook met deze frustrerende problemen, omdat hun ouders hen niet begrijpen of omdat zij in een identiteitscrisis zitten.

 
 
In de meeste sprookjes spelen dieren een hele belangrijke rol.
Een ander woord voor verhalen met dieren waar je een moraal uit kunt halen, is een fabel.
Een voorbeeld van zo'n fabel is de Bremer stadsmuzikanten, dat wij hier in grove lijnen vertellen.

Een ezel, een hond, een kat en een haan werden door hun bazen niet goed verzorgd.
Ze liepen weg en kwamen elkaar tegen en samen gingen zij op weg naar Bremen.
Onderweg zagen zij een lichtje en ze gingen ernaar toe.
Ze zagen een groepje rovers aan een gedekte tafel zitten en besloten hun te overvallen.
Maar, helaas voor de rovers, waren de Bremer stadsmuzikanten ze iets te slim af en ze wisten de rovers te verjagen.
Ze gingen namelijk op elkaar staan en maakten allemaal rare geluiden.
Hiervan schrokken de rovers erg en ze zetten het op een lopen.


De moraal van dit verhaal is dat we samen sterk zijn.
Dieren nemen in sprookjes vaak menselijke eigenschappen over.
De dieren kunnen praten, en recht op lopen. Vaak hebben de dieren het verstand van een mens.
Ook qua levensstijl hebben de dieren in sprookjes veel overeenkomsten met de mensen, zo eten zij aan tafel en eten zij dingen die gewone mensen ook eten.
Net als bij de mensen hebben de dieren in de sprookjes ook slechte en goede eigenschappen, en heb je ook goede en slechte dieren.
Neem bijvoorbeeld de grote boze wolf uit "Roodkapje" en de vogels uit "Assepoester".
 
In veel sprookjes kom je ook dichtvorm tegen maar dit hebben
we ook al genoemd in het stukje over herhalen.
 
 
Sprookjes bevatten ook vaak magische voorwerpen.
Deze voorwerpen bevatten eigenschapen die normale voorwerpen niet hebben.
Zo zijn er bijvoorbeeld de rugzak uit "Tafeltje... dek je!"
Deze rugzak heeft de eigenschap dat er dingen uit tevoorschijn getoverd konden worden.

Nog een voorbeeld van een voorwerp met een magische eigenschap van een voorwerp is de put uit het sprookje "Vrouw Holle", deze put heeft als eigenschap dat je terechtkomt in de wereld van vrouw Holle.
 
 
Standaard in sprookjes is dat er in een sprookje altijd een probleem overwonnen moet worden.
Problemen zoals honger, armoede en jaloezie.
Deze problemen worden aan het eind van de sprookjes ook altijd overwonnen.
Het goede overwint het kwade altijd. Dat is een goede eigenschap van sprookjes.
 
 

Sprookjes lopen ook altijd standaard goed af voor de hoofdpersoon.
Deze hoofdpersoon komt altijd een ervaring rijker uit de strijd.
Vaak komen ze ook financieel rijker uit de strijd.
Een kind zal niet kunnen rusten voordat de slechterik uit het sprookje dood is.
Kinderen wachten op het moment dat de heks, wolf of boze stiefmoeder een gruwelijke dood sterft.
Hier geldt dus ook dat: het goede het kwade altijd moet overwinnen.


Op het eind worden bij sprookjes, net als bij het begin, een aantal standaardzinnen gebruikt.
Zinnen als: "En ze leefden nog lang en gelukkig",
"En als ze niet gestorven zijn, leven ze nu nog" en "Zo komt het dat...".


Deze zinnen zijn in de loop van de jaren altijd hetzelfde gebleven.
De zinnen zijn kenmerkend voor de sprookjes en zijn niet meer uit de tegenwoordige sprookjes weg te denken.

 

 

 

 

Bezoekers pagina sinds 01/09/2007 : 4081

 

  

 

 

 



Main Menu
•Spiritualiteit
•Filosofie
•Mythologie &
         Oude Beschavingen
•Sprookjeswereld
•Kruidenhoekje
•Taalvariatie
•Gastenboek
•Links
•Wie ben ik
•Copyright & Disclaimer