Verliefd op een schilderij

sprookje uit Duizend-en-een nacht

 

 

 

Er was eens een goudsmid die een meester in zijn vak was. Hij hamerde, sloeg en goot allerlei soorten goud. Hij maakte er prachtige afbeeldingen mee, maar ook verlovingsringen en allerlei soorten armbanden, kettingen, gespen, halskettingen en oorbellen. Hij vervaardigde daarnaast beeldjes, bokalen, kommen en andere decoratieve objecten, die hij versierde met kostbare edelstenen en parels. De rijke mensen uit de stad waren erg blij met de producten die uit zijn werkplaats kwamen, net als de hoge officieren en de visieren.
De goudsmid werd dankzij zijn vakmanschap rijk en beroemd. Hij bleef echter ook omgaan met mensen die van een goed glas wijn of het gezelschap van mooie vrouwen hielden.

Op een dag bezocht hij een vriend in de stad, om met hem wat glazen wijn te drinken en te praten. Daar viel zijn oog op de beeltenis van een onbekend meisje aan de muur, dat hem veel meer interesseerde dan de conversatie.

Ze was zo mooi dat de prent letterlijk adembenemend was. Hoe langer hij naar haar keek, hoe onweerstaanbaarder ze werd. In zijn hart ontbrandde een hevige liefde voor haar.
Zonder iets te zeggen, begon hij zijn vriend steeds vaker te bezoeken, enkel om haar lieflijke gezicht te kunnen zien. Maar dat was uiteindelijk toch niet genoeg. Hij besefte heel goed dat hij deze schoonheid niet kon vinden in de stad waar hij leefde, noch in de omgeving. Het duurde niet lang voordat hij ziek was van verlangen naar haar.
Zijn vriend kwam hem op zijn ziekbed bezoeken, en ontdekte dat zijn makker van plan was zich uit het hospitaal te laten ontslaan om bij hem thuis de nacht door te kunnen brengen. En zo kwam hij er ook achter wat de ware reden voor de ziekte van zijn vriend was. Zijn eerste reactie was boos te worden op zijn vriend.
'Volgens mij heb jij je verstand verloren, als je bereid bent te sterven voor een prent van een onbekend meisje aan iemands muur. Immers, een beeltenis kan je niet kwetsen, het kan niets voor je betekenen, het kan niet luisteren, spreken, je tot dingen verplichten of je afwijzen. het is zelfs heel goed denkbaar dat degene die deze prent schilderde dat helemaal vanuit zijn fantasie deed...'
'Nee, alles wijst erop dat het een levend wezen van vlees en bloed is,' onderbrak zijn zieke vriend hem. Hij dacht even na en vervolgde: 'Als dat inderdaad zo is, zal ik tot de Barmhartige bidden dat hij me tenminste zo lang in leven laat dat ik mijn geliefde een keer kan zien.'
Dat besluit schonk de goudsmid nieuwe hoop, en het hielp hem te herstellen. Eerst moest hij de schilder te pakken zien te krijgen die het meisje op de muur vereeuwigd had. Maar omdat die in een andere stad woonde, duurde het enkele weken voordat de goudsmid hem opgespoord had. De informatie die hij van de kunstenaar kreeg, schonk hem echter nieuwe moed en was de aanleiding voor weer een nieuwe zoektocht.
'Ze is de slavin van een vizier uit het verre Kashmir, die ik tijdens een van mijn reizen geschilderd heb,' zei de kunstenaar.
De goudsmid had niet veel tijd nodig om een besluit te nemen en hij trof voorbereidingen voor de lange reis van zijn woonplaats in Perzië naar Kashmir in India. Toen hij eenmaal een sterk en trouw paard had gevonden, klom hij in het zadel en ging op weg.
Hij moest onderweg een aantal keer van paard wisselen, en moest obstakels overwinnen. Maar het verlangen naar het meisje bracht hem uiteindelijk in de koninklijke stad waar ze volgens de schilder moest wonen.

Nadat hij in de stad was aangekomen en een plek had gevonden om te overnachten, begon hij uit te kijken naar het meisje. Hij ging eerst naar een bakker op het marktplein, die erom bekendstond dat hij iedereen kende en alles wist wat er in de wereld te weten valt. Hij informeerde bij hem eerst naar de koning. De bakker antwoordde: 'Onze koning is een vriendelijk man, een uiterst beminndelijk man, en het is dan ook geen toeval dat niet alleen de inwoners van dit land grote achting voor hem hebben, maar ook de bezoekers uit andere werelddelen. De koning adviseert de ministers bij al hun beslissingen, zodat alles wat hier gebeurt, daadwerkelijk onpartijdig is.'
'En is er misschien iets of iemand die hij haat?' vroeg de goudsmid toen de bakker een kort moment zweeg.
'Hij heeft een enorme hekel aan tovenarij. Zodra hij hoort over een of andere boze heks of tovenaar, laat hij deze in een diepe put buiten de stad gooien, waar de boze krachten dan na verloop van tijd vrijkomen.'
Dit antwoord bevredigde de goudsmid, zeker nadat hij ook nog bij de bakker wist te achterhalen bij welke vizier van de koning de mooie slavin leefde, en welke gewoonten die vizier eropna hield. Hij nam afscheid van de bakker en trof voorbereidingen voor zijn volgende plan.

Die nacht ging hij met een ladder op weg
naar het huis van de vizier. Er brak een
onweersbui los boven de stad en de regen
kwam met bakken uit de hemel vallen.
Hij beklom de ladder en kon zonder dat
iemand hem opmerkte over de muur klimmen
om op het binnenplein van het paleis van de
vizier te belanden. Van daaruit kon hij
makkelijk de weg vinden naar het onderkomen
van het meisje. Terwijl de anderen zoals
gebruikelijk op divans lagen te slapen, trof de
goudsmid zijn uitverkorene aan in een groot bed met
een baldakijn erboven. Naast haar hoofd en voeten brandden
kaarsen, en haar gezicht was zo lieflijk als een volle maan. Ze was omgeven
door de geur van amber en lag onder een deken die doorweven was met
gouddraad; naast haar stond een juwelenkistje. Hoewel de goudsmid haar
op dit moment het liefst met honderden kussen had overladen, verloor hij
geen seconde. Hij trok de deken weg en prikte het meisje met zijn scherpe
mes in haar billen. Zij ontwaakte direct, maar kon geen geluid uitbrengen omdat
de goudsmid dat verhinderde. Ze dacht dat ze beroofd werd. De goudsmid hield
haar nog enige tijd vast en bedreigde haar met zijn mes, totdat hij haar eindelijk
iets liet zeggen.
'Neem wat je maar wilt, maar doe me geen pijn. Echt, het zou je niets opleveren.
Ik zweer dat ik je niet zal verraden,' fluisterde het meisje angstig. Ze zag niet hoe
de hand van de goudsmid naar haar juwelenkistje reikte.
De inbreker slaagde erin ook weer ongezien en via dezelfde route waarlangs hij
binnengekomen was, uit het paleis van de vizier te ontsnappen.

Direct de volgende morgen nam hij het juwelenkistje en ging op weg naar de koning.
Als teken van respect kuste hij de marmeren vloer die zich voor hem uitstrekte en sprak: 'Gegroet, gij grootste Koning! Ik ben uit het land Kurasanish gereisd om in uw stad als
goudsmid te komen werken. Bovendien heeft de roem van uw vriendelijke en rechtvaardige karakter mij ervan overtuigd dat u uw koninkrijk op de beste manier bestuurt.'
De koning lachte vergenoegd bij deze woorden en vroeg: 'Bent u vanochtend in onze stad aangekomen om me deze complimenten over te brengen?'
'Zo ongeveer, heer. Ik arriveerde gisteravond, maar de stadspoorten waren toen al gesloten. Ik ben in het gras naast de weg gaan liggen zodat ik kon wachten tot de poorten de volgende ochtend weer geopend zouden worden. De maan verscheen aan de hemel. Hij was als het oog van een vis, en ik begon net in te dutten toen opeens drie vreemde vrouwen naast me opdoken.'
'Wat gebeurde er toen?' wilde de koning weten.
'Toen ik uit mijn ooghoek gluurde, zag ik dat een van hen aan was komen vliegen op een aarden kruik, de tweede op een pook; de derde zat op de rug van een zwarte hond. Ik deed of ik sliep omdat ik dacht dat het heksen waren die de stad in wilden sluipen.'
'Daar zal ik mijn licht over laten schijnen!' riep de koning dreigend. De goudsmid sprak verder.
'Maar dat is nog niet alles. Een van hen merkte mij op. Ze kwam dichterbij en sloeg me met een stok. Ik was woedend omdat ze mij pijn deed, sprong op en stak haar met mijn mes in haar billen. Vervolgens vlogen de vrouwen weg, maar de vrouw die mij had geslagen, liet een kistje vallen,' voegde de goudsmid toe, en toonde de koning het juwelenkistje van zijn geliefde slaven. 'Er zitten prachtige juwelen in, maar ik heb die niet nodig - ik kan ze makkelijk zelf maken. Bovendien wilde ik u mijn respect betonen door ze u als geschenk aan te bieden.'
Met deze woorden plaatste hij het kistje in de handen van de koning, kuste opnieuw de grond voor diens voeten en verliet het paleis.


De koning begon door de juwelen te neuzen en ontdekte weldra een halsketting die hij onlangs aan de vizier die zijn rechterhand was, had geschonken. Hij liet deze vizier naar het paleis komen en beval hem het meisje mee te brengen aan wie hij de ketting had geschonken die de koning nu weer in handen had.
De vizier kwam direct naar het paleis en bracht het meisje mee. De slavin had ook al haar kledij mee moeten nemen. De koning ontdekte aan de achterkant van een van haar kledingstukken gaatjes, ter hoogte van het middel. Dat wekte zijn toorn.
'Naar de kuil met deze verdorven heks!' beval hij met een dreigende stem. Het meisje pleitte tevergeefs dat ze helemaal niets met duistere krachten te maken had en huilde grote tranen, die echter geen enkel effect hadden. De wachters grepen haar en droegen haar ondanks haar heftige verzet de stad uit en wierpen haar in die vreselijke kuil.

De goudsmid hoorde het hele verhaal kort daarop van de bakker op de markt. Hij was verguld dat zijn plannetje zo goed uitpakte. Die nacht vulde hij een beurs met gouden dinars en ging op weg naar de heksenkuil. Daar sprak hij de schildwacht aan die het meisje moest bewaken. En van het een kwam het ander.
Het geweeklaag van het meisje was de hele tijd vanuit de kuil te horen, en de goudsmid zei tegen de wachter: 'is dit meisje echt een heks? Ik ben ervan overtuigd dat ze dat niet is, en als je een geheim kunt bewaren, zal ik je mijn verhaal vertellen en krijg je van mij duizend dinar!'
'Duizend dinar, edele heer?' antwoordde de wachter - zijn ogen sprongen bijna uit hun kassen. 'Ik zal niemand iets zeggen en ik zal alles doen wat u van mij vraagt!'

Stukje bij beetje deed de goudsmid hem het verhaal en de waarheid uit de doeken, beginnend met wat er gebeurd was toen hij in het huis van zijn vriend het schilderij aan de muur had gezien. Toen hij zijn verhaal eindelijk afrondde, was het al nacht geworden. Hij gaf de wachter de buidel met dinars die hij hem had beloofd en onthulde hem zijn laatste wens.
'Je kent nu mijn geheimen, broeder. Deze dinars zullen je een betere dienst bewijzen dan het bewaken van deze kuil. Ik neem het meisje nu direct mee als mijn bruid. De dinars zullen veel voor je kunnen betekenen, en we zullen beiden een goede beurt maken bij de Barmhartige.'
Toen de mannen het meisje uit de onzalige put bevrijdden, werd zij direct verliefd op de goudsmid.
Die nacht verlieten ze het Indiase land op een paard dat de goudsmid al klaar had staan. Nadat ze zijn huis bereikt hadden, organiseerde de goudsmid een groots banket ter gelegenheid van hun huwelijk. Pas na enige weken biechtte hij aan zijn mooie bruid op wat er werkelijk in Kashmir gebeurd was, en hoe hij ervoor gezorgd had dat ze de zijne werd.
Ook de schildwacht verging het goed. Hij hield inderdaad, zoals hij beloofd had, tot aan het einde van zijn aardse leven zijn mond. De Barmhartige was hem welgezind, zodat zijn bezittingen aangroeiden en hij een gerespecteerd en welvarend burger werd.



 

 

  

 

 

 



Main Menu
•Spiritualiteit
•Filosofie
•Mythologie &
         Oude Beschavingen
•Sprookjeswereld
•Kruidenhoekje
•Taalvariatie
•Gastenboek
•Links
•Wie ben ik
•Copyright & Disclaimer