De vlinder

door H.C. Andersen

 

 

 

Er was eens een vlinder en die wilde gaan trouwen, met een klein aardig bloemenbruidje natuurlijk. Hij keek eens om zich heen en zag dat alle bloemen heel stil en degelijk op hun stengels zaten, zoals het een jong meisje betaamt, wanneer het niet verloofd is. Maar er waren er erg veel waaruit hij kiezen moest en dat vond de vlinder een beetje ingewikkeld. Daarom vloog hij naar het madeliefje. De mensen in Frankrijk noemen dit bloempje 'Margriet'. Zij weten dat het kan waarzeggen. Ja, heus, dat kan het als er een verliefd paartje komt en het ene blaadje na het andere afplukt en bij elke plukje zegt: 'verliefd', 'verloofd', 'getrouwd', 'gescheiden'. Ieder doet dat in zijn eigen taal.
Ook de vlinder ging naar het madeliefje toe om het wat te vragen, maar hij trok niet de kleine witte bloemblaadjes af, maar drukte op ieder blaadje een kusje, omdat hij van mening was dat je met vriendelijkheid het verste kwam.
'Lieve Mevrouw Margriet Madeliefje,' zei hij,
'u hebt het meeste verstand van alle bloemen, u kunt waarzeggen. Zeg mij toch alstublieft wie mijn bruid zal zijn. Als ik dat weet kan ik er regelrecht heenvliegen en om haar hand vragen.'
Maar het madeliefje gaf geen antwoord.
Zij kon het niet goed uitstaan, dat hij haar met 'Mevrouw' aansprak, want zij was nog een meisje en dan is men geen 'Mevrouw'.

En de vlinder vroeg het een tweede keer en hij vroeg het een derde keer, maar toen hij geen antwoord kreeg, werd hij zo boos, dat hij wegvloog en besloot dan maar zelf op zoek te gaan naar een geschikt bruidje.

Het was lente en er stonden heel veel sneeuwklokjes. 'die zijn erg aardig,' zei de vlinder, 'alleraardigste kleine aannemelingetjes in hun witte jurkjes, maar wel een beetje saai.'
Toen vloog hij naar de anemonen, maar die waren hem te stuurs, de viooltjes daarentegen vond hij te sentimenteel, de tulpen te opzichtig, de narcissen te burgerlijk, de lindebloesem te klein, bovendien kwamen zij uit te grote gezinnen, de appelbloesem - ja, die leek erg veel op een roos, maar vandaag bloeide zij en morgen viel zij af, al naargelang de wind waaide.
Hij dacht dat een huwelijk met een van hen wel van erg korte duur zou zijn. Het beste beviel hem nog de lathyrus. Zij was wit en rood, teer en fijn, zoals het een huiselijk meisje betaamt dat er aardig uitziet en daarbij toch goed kan koken. Toen hij net op het punt stond haar een huwelijksaanzoek te doen, zag hij vlak naast haar een peultje met een verwelkt bloemetje aan de top.
'Wie is dat?' vroeg hij.
'Dat is mijn zuster,' zei de lathyrus.
'Hemel, zo zult u er ook wel gaan uitzien!' zei de vlinder en hij vloog geschrokken weg.
De kamperfoelie hing over de haag. Het wemelde er van die juffrouwen met hun lange gele gezichten en hun gele huid. Die bevielen hem helemaal niet. Maar wie beviel hem eigenlijk wel?

De lente ging voorbij en de zomer ook. Het werd herfst. De vlinder had nog steeds geen besluit genomen.
De bloemen tooiden zich in hun mooiste gewaden, maar tevergeefs, want het ontbrak hun aan frisse, jeugdige geur. Wanneer het niet meer zo jong is, heeft een hart behoefte aan geurigheid en juist van die geur valt bij dahlia's en klaprozen weinig te bespeuren. Daarom daalde de vlinder neer op de kruizemunt.
'Zij heeft weliswaar geen bloesem, maar eigenlijk is zij een en al bloesem, want zij geurt van top tot teen; in ieder blad hangt de bloemengeur. Met haar ga ik trouwen.'
En hij vroeg haar ten huwelijk.
Maar de kruizemunt stond er stijf en preuts bij, zij hoorde hem aan en zei tenslotte: 'Vriendschap, best, maar verder niets! Ik ben oud en u bent oud, wij kunnen het heel goed met elkaar hebben, maar trouwen - nee! Wij moeten ons niet belachelijk maken op onze leeftijd.'
En zo kwam het dat de vlinder niemand vond. Hij had te lang gezocht en dat moet je nooit doen. Nu moest hij vrijgezel blijven.

Het was al bijna winter, de lucht was somber, er viel regen en het stormde. De wind blies zo koud over de wilgen dat ze er krom van stonden. Het was niet gezond om in zomerkleren uit te vliegen, maar de vlinder vloog ook niet meer in het rond, hij was toevallig onder een dak terechtgekomen. Binnen brandde het vuur in de haard, zodat hij een zomerse warmte voelde. Hier kon hij blijven leven, maar hij zei: 'Leven alleen is niet voldoende, een vlinder moet zon, vrijheid en een klein bloemetje hebben.'
Hij tuimelde tegen de ruit aan, werd opgemerkt, bewonderd, op een speld gestoken en in een glazen kastje tentoongesteld. Dat was alles wat men voor hem kon doen.

'Nu zit ik op een stengel, net als de bloemen,' zei de vlinder. 'Maar ik kan me wel iets gezelligers voorstellen. Het zal wel ongeveer net zo zijn alsof je getrouwd bent - je zit eraan vast.' En daarmee troostte hij zich maar.
'Dat is een schrale troost,' zeiden de planten in de potten, die in de kamer stonden. 'Is het wellicht zo, beste vriend, dat je niet tijdig tot een beslissing hebt kunnen komen?'
'Maar wat planten in potten zeggen moet je niet zo nauw nemen,' vond de vlinder, 'zij verkeren te veel onder de mensen.'


 

 

  

 

 

 



Main Menu
•Spiritualiteit
•Filosofie
•Mythologie &
         Oude Beschavingen
•Sprookjeswereld
•Kruidenhoekje
•Taalvariatie
•Gastenboek
•Links
•Wie ben ik
•Copyright & Disclaimer