Zeg mij maar, God, hoe het moet.
Ik weet het niet meer, Ik ben
alleen nog de man die ik ken
en dat redt mij van overmoed.

Ik roep U al twintig jaar
op uw eeuwig bevel bij mij
zo vreselijk genaakbaar nabij
en, God, Gij gehoorzaamt mij.

Het vingerpaar dat U raakt
raakt gedurig voorwerpen aan
van een doodgewoon mensenbestaan
onheilig en onvolmaakt,

de mond die vermorzelt en eet
is de mond van de hele dag
voor de adem het woord en de lach
en voor alles wat leven heet.

Een vogel is zuiver, een kind,
een eenzaam eiland wellicht
dat in walend zeewater ligt,
maar mij zijt Gij toegezind.

Eer ik verzink in de nacht
weet ik niet anders meer dan:
maak mij de knecht van uw kracht
en vraag mij zoveel ik kan.


Anton van Wilderode








 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

    

 

 

 



Main Menu
•Spiritualiteit
•Filosofie
•Mythologie &
         Oude Beschavingen
•Sprookjeswereld
•Kruidenhoekje
•Taalvariatie
•Gastenboek
•Links
•Wie ben ik
•Copyright & Disclaimer