|
Verklaring: een huichelaar,
een schijnheilige, een heilig vat met verdoemde reepen
(Claes, 259); een kerkuil (Sewel); een beveinsde
kerkpilaar (Kluchtspel III, 105): Middelnederlands pilarenbiter.
Kiliaen: P ij l e r n-b ij t
e r, hypocrita in aede sacra: superstitiosus; qui assidue,
anili superstitione imbutus, in aede sacra decidet: quasi
columnas mordens sive erodens.
Andere bewijsplaatsen zijn Roode
Roos, 156; Hooft, Schijnheilig, 391 (Pantheon ed.);
Rabelais II, 247: Schijnheylige,
gebodprevelaers, pilaerbyters, huyghelaers, en woud-broeders;
Halma, 504: pijlaarbijter,
huichelaar, geveinsde; II. 637: Un pilier d'église,
pijlaarbijter, een die uit of om iedele eere de kerken in
alle voorvallen bezoekt;
C. Wildsch. III, 301; Harreb.
I, 57.
Het is een spotnaam voor iemand, die altijd in de kerk zit
en voortdurend biddend of prevelend opziet tegen een pilaar,
waaraan bijv. een schilderij van den een of andere heilige
hangt.
Zie ook Ons Volksleven V, 165
en vergelijk
het Franse un mangeur de crucifix, un faux dévot
(Littré I, 919). Vergelijk n°. 149.
|